De zin van het sacrale terugvinden

Geschreven door Fernando Arévalo op . Gepost in papersNL

Hoe geloof en aanbidding uitdrukken in de liturgie? Behandeld in een zeer interessant boekje van uit een concrete vraag — de uitreiking van de communie — analyseert E. H. Arévalo de vraag van de zin van het sacrale in de liturgie.

 

 

Toen paus Benedictus XVI tijdens zijn vieringen de communie begon uit te reiken op de tong, kort na zijn verkiezing op de zetel van Petrus, zijn er bij een bepaald aantal gelovigen reacties ontstaan. Voor sommigen was het verrassing en zelfs verontwaardiging; voor anderen vreugde en voldoening. Maar wat bedoelde de paus met deze handelwijze? Ging het om het herstel van een oude liturgische ritus, die in onbruik was geraakt? Moest de uitreiking van de communie op de hand verbannen worden? Of gaat het eerder om een gebaar bestemd om het belang van deze ritus te tonen en de zin van het sacrale, van het mysterie, terug te vinden?

 

Men kan enkele van deze reacties vinden op het internet. Zoals iemand die bij de communicerende op de tong de wil vond de les te spellen aan de andere. Schijn bedriegt, zoals men kan vaststellen in de parabel van de farizeeër en de tollenaar. Men ziet er dàt wat echt belang heeft: in alle omstandigheden met heel ons hart en heel onze ziel trachten lief te hebben, en onszelf altijd te beschouwen als de meest onwaardige van de kinderen Gods, zonder belang te hechten aan de uitwendige gebaren. Wil men ons opnieuw een gedraging opleggen die de klemtoon legt op het uitwendige van een ritus?

 

In feite stelt zich hier een andere vraag: kan een bepaalde religieuze gedraging méér de aanbidding bevorderen dan een andere? In de liturgie komt er altijd een ogenblik waarop men op een of andere wijze een bepaalde gedraging “gaat opleggen”. Niet uit bezorgdheid “op te leggen”, maar eenvoudigweg om het goede verloop van de Mis en de verheffing van de zielen naar onze God van Liefde te bevorderen. Het is daarom dat men bv. stilte “oplegt” tijdens de viering, het rechtstaan op bepaalde ogenblikken zoals bij de lezing van het Evangelie, of het knielen voor de consecratie. Ja, deze regels zijn “opgelegd” door het bevoegd gezag (de Kerk) om de geest van bezinning en aanbidding te stuwen in de ontmoeting met de God van Liefde.

 

Zeker, wanneer ons hart er niet bij is, zullen de regels en de vormen in Gods ogen geen enkele waarde hebben. Maar het is dikwijls door deze uitwendige gebaren dat de zielen het grootse van wat er gebeurt in de Mis vatten en dat zij ertoe gebracht worden zich echt te bezinnen.

 

De huidige meester van de pontificale liturgische vieringen, Mgr. Marini, zet de vraag op haar juiste plaats door gewichtige redenen aan te geven om deze handelwijze te volgen: “De door Benedictus XVI toegepaste wijze van uitreiking van de communie wil de geldigheid van deze voor de hele Kerk toepasselijke regel onderstrepen.Daarenboven zouden wij er een voorkeur voor deze wijze van communie-uitreiking in kunnen zien, die zonder tegengesteld te zijn aan de andere, beter het echte van de ware aanwezigheid in de Eucharistie onderlijnt, bijdraagt aan de vroomheid van de gelovigen en ze gemakkelijker binnenvoert in de betekenis van het mysterie. Inzichten die van uit pastoraal oogpunt in onze tijd dringend moeten onderstreept en herontdekt worden” (Interview van Mgr. Guido Marini,Osservatore Romano, 26-6-08).

 

Een klein boek brengt een interessante toelichting over deze vragen: het werk van Z. E. Mgr. Athanasius Schneider, hulpbisschop van Karaganda (Kazakstan), waarvan de titel Dominus est zeer betekenisvol is (A. Schneider, Het is de Heer!, De Boog, Utrecht 2008).

 

Het boek heeft twee delen, een inleidend woord en een besluit. Op het einde worden in bijlage enkele documenten van de Heilige Stoel over de ritus van de communie voorgebracht. Zoals men kan lezen op de vierde zijde van de omslag, roept dit boekje op, “ver van steriele twisten, hoogte te nemen en terug te blikken omtrent dit vraagstuk. Zowel getuigend als overdenkend, legt het de door Benedictus XVI heringevoerde bediening van de communie uit met een ware pedagogische en pastorale zorg”.

Een werk dus dat ertoe zal bijdragen dat het Jaar van het Geloof “een gunstige gelegenheid zal zijn om het geloof te vieren in de liturgie, in het bijzonder in de Eucharistie “ (Benedictus XVI, Apostolische Brief in de vorm van een Motu Proprio, Porta Fidei, nr. 9).

 

In het eerste deel geeft de auteur zijn persoonlijke ervaring weer, vanuit het getuigenis van drie personen: zijn moeder en twee andere vrouwen. Zij hebben midden talloos lijden en offers die de kleine katholieke gemeenschap van dat land (Kazakstan) diende te verdragen tijdens de jaren van de sovjet-vervolging het levendig geloof in de Eucharistie bewaard.

 

De titel van het tweede deel (Met vrees en liefde) drukt de basishouding uit die nodig is om de zin van deze handelwijze te verstaan. Mgr. Schneider geeft een historisch-theologische uiteenzetting die zeer goed verklaart hoe de vorm van communie op de tong en geknield, werd aanvaard en toegepast in de Kerk gedurende talrijke eeuwen. Zulks om ons eraan te herinneren dat de communie op de tong sedert eeuwen de enige wijze van communiceren was. Vandaag nog is het de gewone en officiële wijze van communiceren, terwijl de communie op de hand een uitzonderlijke handelwijze is, die uitdrukkelijk door de Kerk moet worden toegestaan.

 

Ontroerende teksten uit de eerste eeuwen van het christendom (kerkvaders, oude liturgieboeken, documenten van het Magisterium, enz.) tonen de bijzondere verantwoordelijkheid die de Kerk altijd heeft gevoeld om de sacrale aard van de Eucharistie duidelijk te stellen. Deze verantwoordelijkheid is des te groter tegenover de cultuur van de moderne tijd, die het sacrale weigert.

 

Het lezen van dit boekje helpt inderdaad om klare antwoorden en argumenten te vinden om beter een handelwijze te begrijpen die de paus wil doen herwaarderen. “Het gebaar — leest men in één van de conclusies  het lichaam van Christus in de mond en geknield te ontvangen, kan een zichtbare getuigenis zijn van het geloof van de Kerk in het mysterie van de Eucharistie en tevens een hernieuwende en educatieve factor voor onze moderne cultuur, waar het knielen en het geestelijke kindschap volledig vreemd zijn”.

 

Fernando Arévalo is priester, licenciaat mathematica en doctor in de theologie. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Walter Van Goethem.