De toekomst van het priestercelibaat

Geschreven door Emmanuel Cabello op .

Naar aanleiding van de recente schandalen, geeft dit artikel een overzicht van de redenen waarop het celibaat van de priesters in de katholieke Kerk gegrondvest is.

 

 


De laatste jaren werd de Kerk geconfronteerd met zeer ernstige misbruiken van kinderen en adolescenten door priesters. Als gevolg van deze trieste gebeurtenissen is ook het debat over het verplichte celibaat voor priesters weer aangewakkerd. Men beweert dat die kerkelijke wet de oorzaak zou zijn van zulke wandaden. Bovendien zou dit ook het gebrek aan priesterroepingen verklaren. Zou het uur om het celibaat af te schaffen aangebroken zijn? We onderzoeken deze vraag in historisch perspectief.

 

In de 19de eeuw ontstond er tussen twee beroemde Duitse onderzoekers een grote polemiek rond de oorsprong van de kerkelijke celibaatsregel. F. X. Funk stelde dat die dateert uit de 4 de eeuw, terwijl G. Bickell beweerde dat hij afkomstig is van de Apostelen. Funk had het laatste woord en zijn standpunt heeft het gehaald. Voorts nemen de meesten aan dat deze celibaatsregel, opgesteld in de 4 de eeuw, in de Latijnse Kerk pas in de Middeleeuwen echt verplicht gesteld werd in het 2 de Concilie van Lateranen (1139).

 

Nieuw geschiedkundig onderzoek

Historisch onderzoek tijdens de afgelopen decennia werpt een nieuw licht op de kwestie. Meerdere geschiedkundigen van verschillende landen en scholen (wij beperken ons tot drie namen: A. Stickler, Ch. Cochini en, voor de Oosterse Kerk, R. Cholij) hebben de stelling van G. Bickell grondig onderzocht. Men dacht dat ze begraven was, maar recent onderzoek haalt de gangbare opvattingen weer overhoop. We zullen proberen in enkele regels een samenvatting te geven van het meest recent historisch onderzoek.

 

Zelfs voordien stond reeds vast dat het eerste eenduidige schriftelijke getuigenis van een verplichting tot kuisheid voor de geestelijkheid terug te vinden is in de besluiten van een klein provinciaal concilie gehouden te Elvira, een Spaanse plaats nabij Granada, in het begin van de 4de eeuw. Dit concilie verbood diakens, priesters en bisschoppen om seksuele betrekkingen met hun echtgenotes te hebben, op straffe van uitsluiting uit de klerikale stand. Hoe zou een duister provinciaals concilie het aandurven vanuit het niets een wet over zulk een gevoelige kwestie, met terugwerkende gevolgen en met zo'n zware straf, op te leggen?

 

Twee uitspraken van Paus Sirice (385 en 386) en de canons van het provinciaal concilie van Carthago in 390 herinneren aan dezelfde discipline als het concilie van Elvira. Zij geven de reden ervan, met name dat deze wet van onthouding door de geestelijkheid geen nieuwigheid is, maar een mondelinge overlevering afkomstig van de Apostelen. In het Oosten hebben wij de duidelijke getuigenissen van Epiphanius van Salamis en de heilige Jeronimus, die eveneens op de apostolische overlevering omtrent deze praktijk een beroep doen. Tegelijkertijd bevestigen deze beslissingen en getuigenissen ons dat deze traditie niet enkel betrekking heeft op het celibaat maar ook en vooral op de onthouding, omdat de geestelijken van die tijd meestal getrouwd waren. Talrijke uitspraken van kerkelijke autoriteiten in deze periode wijzen op het belang om de echtgenotes van de bisschoppen, priesters en diakens in woningen gescheiden van die van hun echtgenoten te huisvesten. De frequente herhaling van deze oproepen toont aan dat de onthouding niet gemakkelijk te beleven was (zelfs wanneer deze verbintenis vanzelfsprekend steeds met de toestemming van de echtgenotes was aangegaan).

 

Kortom: er bestaan bewijzen dat in Rome, in Spanje, in Gallië (concilie van Arles in 314), in Afrika, in het Oosten, de Kerken eensgezind zijn over een zelfde discipline van het celibaat en de onthouding, en dat allen er zich bewust van zijn een traditie te beleven die afkomstig is van de Apostelen en dat ook te kennen geven.

 

Zo begrijpt men beter dat de bezwaren die vaak geuit worden tegen de apostolische oorsprong van het celibaat, die op bepaalde teksten van het Nieuwe Testament gebaseerd waren, weerlegd kunnen worden. Petrus was inderdaad getrouwd (en misschien ook andere apostelen). Maar zoals de Evangeliën suggereren, had hij zijn echtgenote verlaten (zie Lc 18, 28-30). Paulus adviseerde Timotheüs en Titus om enkel bisschoppen en priesters te wijden die niet hertrouwd waren, waarschijnlijk omdat een man die meermaals getrouwd was onvoldoende garanties bood om in onthouding te kunnen leven.

 

Veel pausen, concilies, kerkvaders en andere auteurs getuigen vanaf de 5de eeuw van de blijvende discipline van het celibaat en de onthouding voor bisschoppen, priesters en diakens. Waarom denken dan zovelen, tot op heden, dat de discipline van het celibaat pas in de Middeleeuwen ingesteld is? Deze verwarring komt voort uit het feit dat het 2 de Concilie van Lateranen (1139) de huwelijken van priesters nietig verklaarde, die voorheen als geldig maar ongeoorloofd beschouwd werden.

 

Het geval van de Oosterse Kerken

De Oosterse kerken echter hebben een andere praktijk gevolgd. De priesters en diakens zijn niet verplicht tot celibaat of onthouding. De enige beperking die zij opgelegd krijgen is, eenmaal gewijd, niet te (her)trouwen. Daarentegen moeten de bisschoppen altijd celibatair zijn en blijven. Deze praktijk werd door hen als een apostolische traditie beschouwd. Het zou de Latijnse Kerk zijn die op een bepaald punt in haar geschiedenis, een overdreven strenge houding aangenomen heeft, door zich van de traditie van de Apostelen af te wenden. Maar dit lijkt niet juist.

 

De oorsprong van de verschillen met de Latijnse Kerk betreffende het celibaat en de onthouding van priesters en diakens gaat terug tot de 7de eeuw. In die periode heeft de Oosterse Kerk, om uiteenlopende redenen (een minder eenvormige discipline dan in de Latijnse Kerk, een bijzonder moeilijke politieke situatie wegens de militaire druk van de Islam, keizerlijke bemoeienis met kerkelijke zaken) , tijdens het Quinisextum concilie (691) beslist om de regel over celibaat en onthouding te veranderen. De concilievaders denken steun voor hun stelling te vinden in de canons van het Concilie van Carthago (390). Ze maken een slechte vertaling en interpretatie van deze Latijnse tekst (die, zoals we gezien hebben, het celibaat en onthouding door de geestelijkheid voorstaat) en beschouwen de zaak als afgedaan.

 

Het duurt enkele eeuwen vooraleer de Oosterse Kerk erkent dat zij een verkeerd gebruik van het Concilie van Carthago heeft gemaakt. De discipline van het celibaat zal nooit terugkeren. Om hun standpunt te handhaven, bevestigen de oosterlingen dat hun Quinisextum concilie in ieder geval bevoegd was om deze veranderingen door te voeren. Over deze laatste verklaring kan de geschiedenis alleen niet beslissen. Het feit dat een historische praktijk teruggaat tot de Apostelen, wil niet noodzakelijk zeggen dat ze niet kan veranderd worden. Het valt ook te bezien of er ook theologische redenen zijn voor het handhaven van deze praktijk, dat wil zeggen, als men een intrinsieke band tussen het sacrament van de priesterwijding en het celibaat kan leggen.

 

Theologische redenen voor het celibaat

De Franse theoloog L. Touze heeft deze vraag be studeerd. Zijn genuanceerde bevindingen zijn net verschenen (L'avenir du célibat sacerdotal et sa logique sacramentelle , Paris 2009). Uit het onderzoek van de auteur blijkt dat, op basis van de Schrift en de pogingen tot verklaring van de kerkvaders, het leergezag en de theologie vandaag samen proberen om het priestercelibaat beter te rechtvaardigen. Zijn diepe verantwoording berust niet op een eis van rituele zuiverheid, noch in redenen van ascetische of praktische aard, maar zou voortkomen uit de aard zelf van het wijdingssacrament.

 

Benedictus XVI heeft het huidige denken van de Kerk als volgt samengevat: het priestercelibaat vindt zijn oorsprong in het celibaat van Jezus Christus, die zichzelf als Bruidegom aan de Kerk gegeven heeft in maagdelijke staat. De priester, die op bijzondere wijze door het sacrament van de priesterwijding gelijkvormig is met Christus, moet eveneens openstaan voor de maagdelijke gave van zichzelf, voor de zending tot en met het Kruisoffer, voor de totale en exclusieve gave aan Christus en aan de Kerk (vgl. postsynodale apostolische exhortatie Sacramentum Caritatis, 24).

 

Celibaat en seksueel misbruik

Zal de crisis van seksueel misbruik door priesters invloed hebben op de discipline van het celibaat? Statistieken tonen aan dat 80 à 90% van de gevallen van seksueel misbruik in de (enge of ruime) familiekring gebeuren. Dit simpele gegeven toont aan dat het celibaat niets te maken heeft met pedofilie. Bovendien heeft de overgrote meerderheid van deze misbruiken 30 à 50 jaar geleden plaatsgevonden. Deze overweging, gecombineerd met het feit dat de meeste slachtoffers adolescenten waren, eerder dan kinderen, suggereert dat we de belangrijkste oorzaak van deze crisis in de homo- en heteroseksuele permissiviteit van de jaren '60-70 moeten zoeken en in haar invloed op kerkelijke kringen, met name in sommige seminaries.

 

Het is dus moeilijk aan te nemen dat het priestercelibaat, dat teruggaat tot de Apostelen en gebaseerd is op serieuze theologische redenen, ondermijnd kan worden door omstandigheden, hoe ernstig ze ook zijn, die hiermee geen rechtstreeks verband houden.

 

Over de dogmatische evolutie schreef Newman: “geen enkele leer lijkt volkomen bij zijn ontstaan, of ontwikkelt zich niet door de bijdragen van theologisch onderzoek of aanvallen van ketterij.” Het is gewettigd te denken dat iets gelijkaardigs kan gebeuren in de Kerk met de regel van het priestercelibaat.

 

Tenslotte lijkt deze nu meer te betekenen dan een eerbiedwaardige kerkelijke wet: ze is bevestigd binnen de Kerk op het fundament van de traditie van de onthouding die afkomstig is van de Apostelen. Bovendien zijn er door de eeuwen heen steeds duidelijker theologische argumenten ter ondersteuning aan het licht gekomen. Er zijn dus geen redenen om te veronderstellen dat deze traditie zich niet zal blijven ontwikkelen in de Kerk, steeds dieper, ondanks —of dankzij— de moeilijkheden die zij ondervindt.

 

Bibliografie:

  • Christian Cochini, SJ, Les origines apostoliques du célibat sacerdotal, Ed. Ad Solem, Genève, 2006
  • Laurent Touze, L'avenir du célibat sacerdotal et sa logique sacramentelle, Ed. Parole et Silence/Lethielleux, Paris, 2009
  • Roman Cholij, Clerical Celibacy in East and West, Fowler Wright Books, Leominster, 1988
  • AlfonsM. Stickler, Il celibato ecclesiastico. La sua storia ed i suoi fondamenti teologici, in Ius Ecclesiae, vol V, n. 1, 1993

Emmanuel Cabello is priester, Doctor in Opvoedkunde en in Theologie Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Jos en Hélène Van Dyck.