Homo-huwelijk, homo-ouderschap en adoptie

Geschreven door Gilles Bernheim op . Gepost in papersNL

In Frankrijk woedt het debat over het homo-huwelijk. De opper-rabbijn van Frankrijk, Gilles Bernheim, schreef kort geleden een brief van 25 bladzijden aan de Franse president van de republiek en aan de eerste minister waarin hij stelling neemt tegen een wetsontwerp over het homo-huwelijk. Paus Benedictus XVI haalde dit document aan in zijn recente toespraak tot de romeinse curie.

 

 

In dit document, getiteld “Homo-huwelijk, homo-ouderschap en adoptie: wat men vergeet te zeggen tracht de opper-rabbijn van Frankrijk de ware inzet van het ontkennen van de seksuele verscheidenheid te verklaren.

 

De gedachte van Gilles Bernheim

Ziehier een uittreksel uit het besluit van het document:

 

“Om te besluiten: het is duidelijk dat de ingeroepen argumenten van gelijkheid, van liefde, van bescherming of van recht op het kind vervallen, en dat deze alleen een wet niet kunnen rechtvaardigen. [...] Het zou niet moedig zijn, noch eervol een wet te stemmen, eerder steunend op slogans als op argumenten, en zich te schikken naar het dominerend wel-denken uit vrees voor afkeuring. [...] Wat in de ontworpen wet een probleem stelt, is de schade die ze aan het geheel van onze maatschappij zou toebrengen alleen in het voordeel van een uiterst kleine minderheid, eens dat men op een onomkeerbare wijze drie zaken zou verward hebben:

- de afstamming, door het ouderschap in de plaats te stellen van het vaderschap en het moederschap,

- het statuut van het kind, dat van subject overgaat naar dat van een object waarop iedereen recht heeft,

- de identiteiten waar het geslachtelijke als natuurlijk gegeven verplicht zou worden te verdwijnen voor de door ieder uitgebrachte oriëntering, in naam van een strijd tegen de ongelijkheid, verdraaid tot een uitroeiing van de verscheidenheid.

Deze inzet moet duidelijk worden gesteld in het debat over het homo-huwelijk en het homo-ouderschap. Hij verwijst naar de fundamenten van de maatschappij waarin ieder van ons wenst te leven.”

 

De toespraak van de paus

Op vrijdag 21 december heeft de paus zijn kerstwensen aangeboden aan de Romeinse curie. Deze plechtigheid is de gelegenheid tot een zeer verwachte toespraak, waar in de Paus traditioneel de balans opmaakt van het afgelopen jaar en van de uitdagingen van het ogenblik.

 

Hierbij het uittreksel waarin Benedictus XVI spreekt over het gezin:

 

“De grote vreugde waarbij gezinnen uit de hele wereld elkaar in Milaan hebben ontmoet heeft aangetoond dat, niettegenstaande een andere indruk, het gezin ook vandaag nog sterk en levend is. Toch kan ook de crisis die — voornamelijk in de westerse wereld — het gezin bedreigt tot in zijn grondvesten niet betwist worden. Het trof mij dat men op de Synode herhaaldelijk het belang van het gezin voor het overbrengen van het geloof heeft onderlijnd, als een authentieke plaats waar de fundamentele vormen van het feit een menselijk persoon te zijn worden overgebracht. Men leert ze aan door ze samen te beleven en te ondergaan. En zo wordt het duidelijk dat de vraag naar het gezin niet alleen dit is naar een bepaalde sociale vorm, maar een vraag naar het menselijk wezen zelf — de vraag wat het menselijk wezen is en wat te doen om op een juiste wijze een menselijk persoon te zijn.

 

In deze context zijn de uitdagingen complex. Er is eerst de vraag van het vermogen van de mens zich te binden of zijn gebrek aan bindend vermogen. Kan het menselijk wezen zich verbinden voor een heel leven? Beantwoordt zulks aan zijn natuur? Is dit niet in tegenstrijd met zijn vrijheid en met de dimensie van zijn zelf-verwezenlijking? Wordt het menselijk wezen zichzelf wanneer het autonoom blijft en wanneer het met de andere in contact treedt enkel met relaties die hij op ieder ogenblik kan verbreken? Is een binding voor het hele leven in tegenstrijd met de vrijheid? Is de binding ook waard dat men erom lijdt? De afwijzing van de menselijke binding, die zich altijd verder verspreidt wegens een verkeerd begrip van de vrijheid en van de zelf-verwezenlijking, zowel als omwille van de vlucht voor het geduldig verdragen van het lijden, betekent dat de mens in zichzelf gesloten blijft, en als laatste analyse, zijn eigen “ik” voor zichzelf bewaart en het waarlijk niet te boven gaat. Het is echter enkel in de gave van zichzelf dat het menselijk wezen zichzelf verwezenlijkt en het is enkel door het zich openstellen voor de andere, de anderen, de kinderen, het gezin, het is enkel door zich te laten boetseren in het lijden, dat hij de dimensie van het feit een menselijk persoon te zijn ontdekt. Door de afwijzing van deze binding verdwijnen ook de fundamentele vormen van het menselijk bestaan: de vader, de moeder, het kind; de essentiële dimensies van het beleven van het feit een menselijk persoon te zijn vallen weg.

 

De opper-rabbijn van Frankrijk, Gilles Bernheim, heeft in een zorgvuldig gedocumenteerde en ontroerende verhandeling betoond dat de aanval op de authentieke vorm van het gezin, bestaande uit een vader, een moeder en een kind — een aanval waaraan wij thans worden blootgesteld — uitloopt op een nog diepere dimensie. Wanneer wij tot nog toe als oorzaak van de crisis van het gezin een verkeerd begrip omtrent het wezenlijke van de menselijke vrijheid hebben gezien, wordt het nu duidelijk dat wat nu in het spel is de visie is van het wezen zelf, van wat het feit een menselijk persoon te zijn in werkelijkheid betekent.

 

Hij haalt de beroemd geworden bewering van Simone de Beauvoir aan: “Men wordt niet als vrouw geboren, maar men wordt het”. In deze bewoordingen bevindt zich het fundament van wat thans onder het woord “gender” voorgesteld wordt als een nieuwe filosofie van de seksualiteit. Volgens deze filosofie is het geslacht geen oorspronkelijk gegeven van de natuur meer, een gegeven dat het menselijk wezen moet aanvaarden en er persoonlijk zin aan geven, maar is een sociale rol waarover men autonoom beslist, terwijl het totnogtoe aan de maatschappij behoorde daarover te beslissen.

 

De diepe onwaarheid van deze theorie en van de onderliggende antropologische revolutie is duidelijk. De mens betwist een van vooraf voorbereide natuur van zijn lichamelijkheid te hebben, die zijn wezen als persoon karakteriseert. Hij ontkent zijn natuur en besluit dat die hem niet gegeven is als een van vooraf bereid feit, maar dat het hijzelf is die zich die natuur schept. Volgens het bijbelverhaal van de schepping behoort het tot het eigene van het menselijk wezen door God geschapen te zijn als man en vrouw. Deze dualiteit is essentieel voor het feit een menselijk persoon te zijn zoals God dit heeft gegeven. Deze dualiteit als oorspronkelijk gegeven wordt nu juist betwist. Wat men leest in het scheppings-verhaal is niet meer geldig: “Man en vrouw schiep Hij hen” (Gen. 1, 27).

 

Neen, wat nu geldt is dat Hij het niet is die hen man en vrouw schiep, maar dat het de maatschappij is die dit totnogtoe heeft bepaald en dat wij nu zelf daarover beslissen. Man en vrouw bestaan niet meer als een realiteit van de schepping, als een natuur van het menselijk wezen. Dit wezen betwist zijn eigen natuur. Het is voortaan slechts geest en wil. Het manipuleren van de natuur, dat wij thans betreuren betreffende het milieu, wordt hier de fundamentele keuze van de mens ten opzichte van zichzelf. Het menselijk wezen bestaat voortaan nog enkel in abstracto, dat verder autonoom voor zich iets kiest tot zijn natuur. Man en vrouw worden bestreden in hun aanspraak die voortkomt uit de schepping, als complementaire vormen van de menselijke persoon.

 

Indien echter de dualiteit van man en vrouw niet bestaat als gegeven van de schepping, dan bestaat het gezin ook niet als realiteit die vooraf gevestigd is door de schepping. En aldus verliest ook het kind de plaats die het totnogtoe toekwam en de bijzondere waardigheid die het eigen is. Bernheim toont aan hoe, van juridisch onafhankelijk subject op zich, het nu noodzakelijk een object wordt, waarop men recht heeft en dat men als rechtsobject, zich kan verschaffen. Daar waar de vrijheid van handelen de vrijheid zichzelf te maken wordt, komt men noodzakelijk tot het loochenen van de Schepper zelf, en uiteindelijk wordt aldus de mens zelf — schepsel van God, beeld van God — verlaagd in het wezenlijke van wat hij is. In de strijd voor het gezin is het menselijk wezen zelf in het spel. En het is duidelijk dat, waar God geloochend wordt, de waardigheid van het menselijk wezen ook verdwijnt. Wie God verdedigt, verdedigt het menselijk wezen!“

 

Bron van de toespraak van de paus: www.vatican.va. Deze tekst werd uit het Frans vertaald door Walter Van Goethem.